forens
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- iemand die dagelijks heen en weer reist tussen de woongemeente en de werkgemeente
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| forensen, forenzen | meervoud |
| forensje | verkleinwoord, enkelvoud |
| forensjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van forenzen
- gebiedende wijs van forenzen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van forenzen
Vervoeging van forens
forenshele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘wie woont buiten de plaats waar hij werkt’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1898
Woordfamilie van forens
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| forensen | meervoud | forens |
| forensje | verkleinwoord | forens |
| forensjes | verkleinwoord meervoud | forens |
| forense | woordvorm | forensen |
| forensende | woordvorm | forensen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van forens zijn vastgelegd.