flash
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- flits
- een niet-vluchtige vorm van extern geheugen, afkorting van flashgeheugen
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| flashes | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van flashen
- gebiedende wijs van flashen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van flashen
Vervoeging van flash
flashhele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘flits’ voor het eerst aangetroffen in 1958
Woordfamilie van flash
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| flashes | meervoud | flash |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van flash zijn vastgelegd.