flambeeuw
zelfstandig naamwoord flɑmˈbewBetekenis
- staak met aan één uiteinde brandbaar materiaal dat wordt aangestoken om als lichtbron te dienen. Oorspronkelijk zat aan het uiteinde een takkenbundel, later werd dit vervangen door een kaars in een lantaarn
Hoe spreek je flambeeuw uit?
/flɑmˈbew/
Flambeeuw bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| f | fiets |
| l | land |
| ɑ | bad |
| m | maan |
| b | bak |
| e | veel |
| w | quiz |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- staak met aan één uiteinde brandbaar materiaal dat wordt aangestoken om als lichtbron te dienen Oorspronkelijk zat aan het uiteinde een takkenbundel, later werd dit vervangen door een kaars in een lantaarn obsolete
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| flambeeuwen | meervoud |
| flambeeuwtje | verkleinwoord, enkelvoud |
| flambeeuwtjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
via Middelnederlands flambeeu van Picardisch; het meer gangbare woord flambouw is ontleend aan het verwante flambeau in het Frans
Woordfamilie van flambeeuw
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| flambeeuwen | meervoud | flambeeuw |
| flambeeuwtje | verkleinwoord | flambeeuw |
| flambeeuwtjes | verkleinwoord meervoud | flambeeuw |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van flambeeuw zijn vastgelegd.