film
zelfstandig naamwoord, werkwoord ˈfɪlᵊmBetekenis
- een dunne laag
- een dun en oprolbaar medium om beelden op te nemen in een camera
- een opname van bewegende beelden die een verhaal vertelt
- de filmindustrie
- een opgenomen en vastgelegd bewegend beeld
- filmkijken: Ik kijk graag film.
- een vastgelegd bewegend beeld in een medium
- filmen
- rolprent
- povlak
Hoe spreek je film uit?
/ˈfɪləm/
Film bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| f | fiets |
| ɪ | pit |
| l | land |
| ə | de |
| m | maan |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — masculine
- naar de film gaan: een bioscoop bezoeken
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| filmpje | verkleinwoord, derde persoon |
| filmpjes | verkleinwoord, enkelvoud |
| films | enkelvoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van filmen
- gebiedende wijs van filmen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van filmen
Vervoeging van film
filmhele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘strook met film- of fotobeelden’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1912
Woordfamilie van film
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| filmpje | verkleinwoord, 3e persoon | film |
| filmpjes | verkleinwoord | film |
| films | enkelvoud | film |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van film zijn vastgelegd.