farao
zelfstandig naamwoord /ˈfarao/Betekenis
- titel van de koning van Egypte, ook gebruikt als eigennaam; de enige farao's die in het OT bij hun eigen naam worden genoemd, zijn Chofra, Necho, Sisak en Tirhaka (274×: Gen. 12:15 +, Ex. 1:11 +, Deut. 6:21 +, 1 Sam. 2:27 +, 1 Kon. 3:1 +, 2 Kon. 17:7 +, Jes. 19:11 +, Jer. 25:19 +, Ez. 17:17 +, Ps. 135:9 +, Hoogl. 1:9, Neh. 9:10, 1 Kron. 4:18, 2 Kron. 8:11; ook 5× in NT)
Hoe spreek je farao uit?
/ˈfarao/
Farao bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| f | fiets |
| a | maan |
| r | rood |
| o | boot |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| farao's | meervoud |
| faraootje | verkleinwoord, enkelvoud |
| faraootjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘naam van Egyptische koningen’ voor het eerst aangetroffen in 1285
Woordfamilie van farao
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| farao's | meervoud | farao |
| faraootje | verkleinwoord | farao |
| faraootjes | verkleinwoord meervoud | farao |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van farao zijn vastgelegd.