extra
zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord ˈɛkstraBetekenis
- hetgeen men erbij krijgt
- bijkomend.
- (Limburg en Gelderland) opzettelijk.
- buiten
- behalve
- speciaal, bijzonder
Hoe spreek je extra uit?
/ˈɛkstra/
Extra bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɛ | bed |
| k | kat |
| s | sok |
| t | tak |
| r | rood |
| a | maan |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| extra's | meervoud |
| extraatje | verkleinwoord, enkelvoud |
| extraatjes | verkleinwoord, meervoud |
bijvoeglijk naamwoord
- bijkomend
- opzettelijk
bijwoord
- van meer dan normale omvang, buitengewoon
Herkomst
van Latijn extra, onder invloed van Frans extra bn als verkorting van extraordinaire "buitengewoon", in de betekenis van ‘bijkomend’ aangetroffen vanaf 1720 (zie vindplaats hieronder) en in die van ‘boven het gewone, bijzonder’ vanaf 1738
Woordfamilie van extra
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| extra's | meervoud | extra |
| extraatje | verkleinwoord | extra |
| extraatjes | verkleinwoord meervoud | extra |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van extra zijn vastgelegd.