Eerste Kamerlid
zelfstandig naamwoord ˌerstəˈkamərˌlɪtBetekenis
- (Nederland) volksvertegenwoordiger in het door Statenleden gekozen deel van het Nederlandse parlement, de Eerste Kamer der Staten-Generaal
Hoe spreek je Eerste Kamerlid uit?
/ˌerstəˈkamərˌlɪt/
Eerste Kamerlid bestaat uit vijf lettergrepen. De klemtoon ligt op de derde.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| e | veel |
| r | rood |
| s | sok |
| t | tak |
| ə | de |
| k | kat |
| a | maan |
| m | maan |
| l | land |
| ɪ | pit |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — neuter
- volksvertegenwoordiger in het door Statenleden gekozen deel van het Nederlandse parlement, de Eerste Kamer der Staten-Generaal
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| Eerste Kamerleden | meervoud |
| Eerste-Kamerlid |
Herkomst
samenstelling van Eerste Kamer en en lid zn , geschreven met twee hoofdletters en een spatie volgens spellingregel 6.M onder (3)
Woordfamilie van Eerste Kamerlid
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| Eerste Kamerleden | meervoud | Eerste Kamerlid |
| Eerste-Kamerlid | neuter | Eerste Kamerlid |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van Eerste Kamerlid zijn vastgelegd.