dril
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- mandril
- stevige gekeperde stof
- lillende gelei
- gestold vleesnat
- boor
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
zelfstandig naamwoord
- Mandrillus leucophaeus sterk bedreigde apensoort in Afrika, nauw verwant aan de mandril masculine
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| drillen | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van drillen
- gebiedende wijs van drillen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van drillen
Vervoeging van dril
drilhele werkwoord
Herkomst
zelfstandig naamwoord: Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘gekeperd weefsel’ voor het eerst aangetroffen in 1860
zelfstandig naamwoord: Verkorting van mandril