dominee
zelfstandig naamwoord ˈdomiˌneBetekenis
- een voorganger van een protestantse eredienst
Hoe spreek je dominee uit?
/ˈdomiˌne/
Dominee bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| d | dak |
| o | boot |
| m | maan |
| i | riet |
| n | nek |
| e | veel |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
zelfstandig naamwoord — masculine
- voorganger van een protestantse eredienst
- leider van een religieuze gemeenschap
- benaming voor sommige vogelsoorten die een zwart verenkleed met een witte borst hebben figuratively
- benaming voor het mannetje dat de leider is van een groep brulapen Alouatta macconnelli figuratively
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| dominees | meervoud |
| domineetje | verkleinwoord, enkelvoud |
| domineetjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
van Latijn domine, de vocatief van dominus zn "heer", gebruikt als aanspreekvorm voor hogergeplaatste mannen, zoals priesters en dokters **[1] in de betekenis van ‘predikant’ aangetroffen vanaf 1619 **[2] de bredere betekenis in Suriname is vergelijkbaar met het oorspronkelijke ‘domine’ **[3] omdat de witte bef aan het traditionele kledingstuk van een dominee doet denken **[4] omdat de leider van de groep voorgaat bij het brullen
Woordfamilie van dominee
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| dominees | meervoud | dominee |
| domineetje | verkleinwoord | dominee |
| domineetjes | verkleinwoord meervoud | dominee |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van dominee zijn vastgelegd.