dienstdoen
werkwoord 'dinzdunBetekenis
- ~ als een bepaalde functie vervullen
Hoe spreek je dienstdoen uit?
/ˈdinzdun/
Dienstdoen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| d | dak |
| i | riet |
| n | nek |
| z | zon |
| u | boek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van dienstdoen
dienstdoenhele werkwoord — deed dienstverleden tijd enkelvoud — deden dienstverleden tijd meervoud — dienstgedaanvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | doe dienst | deed dienst |
| jij | doet dienst | deed dienst |
| hij, zij, het | doet dienst | deed dienst |
| wij | doen dienst | deden dienst |
| jullie | doen dienst | deden dienst |
| zij | doen dienst | deden dienst |
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| deed dienst | verleden tijd |
| dienst te doen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| dienst te zullen doen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| dienst zal doen | bijzin, toekomende tijd |
| dienst zou doen | bijzin, voorwaardelijk |
| dienst zouden doen | bijzin, voorwaardelijk |
| dienst zoudt doen | bijzin, voorwaardelijk |
| dienst zullen doen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| dienst zullen doen | bijzin, toekomende tijd |
| dienst zult doen | bijzin, toekomende tijd |
| dienstdeden | bijzin, verleden tijd |
| dienstdeed | bijzin, verleden tijd |
| dienstdeedt | bijzin, verleden tijd |
| dienstdoe | bijzin, tegenwoordige tijd |
| dienstdoend | onvoltooid, deelwoord |
| dienstdoet | bijzin, tegenwoordige tijd |
| dienstgedaan | verleden tijd, deelwoord |
| dienstgedaan te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| dienstgedaan zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| doe dienst | gebiedende wijs |
| ev. | gebiedende wijs |
| had dienstgedaan | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had dienstgedaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had dienstgedaan | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden dienstgedaan | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden dienstgedaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden dienstgedaan | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt dienstgedaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb dienstgedaan | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben dienstgedaan | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben dienstgedaan | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben dienstgedaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben dienstgedaan | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt dienstgedaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft dienstgedaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft dienstgedaan | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben dienstgedaan | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen dienstdoen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal dienstdoen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal dienstdoen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal dienstdoen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal dienstdoen | bijzin, toekomende tijd |
| zal dienstgedaan hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal dienstgedaan hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal dienstgedaan hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou dienstdoen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou dienstdoen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou dienstdoen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou dienstdoen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou dienstgedaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou dienstgedaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou dienstgedaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou(dt) dienstdoen dienst zou(dt) doen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden dienstdoen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden dienstdoen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden dienstdoen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden dienstdoen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden dienstgedaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden dienstgedaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden dienstgedaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt dienstdoen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt dienstdoen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt dienstgedaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen dienstdoen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen dienstdoen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen dienstdoen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen dienstdoen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen dienstdoen | bijzin, toekomende tijd |
| zullen dienstgedaan hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen dienstgedaan hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen dienstgedaan hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult dienstdoen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult dienstdoen | bijzin, toekomende tijd |
| zult dienstgedaan hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult/zal dienstdoen dienst zult/zal doen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van dienst en doen
Woordfamilie van dienstdoen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| deden dienst | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | dienstdoen |
| deed dienst | verleden tijd | dienstdoen |
| dienstdeden | subordinate-clause, verleden tijd | dienstdoen |
| dienstdeed | subordinate-clause, verleden tijd | dienstdoen |
| dienstdoe | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | dienstdoen |
| dienstdoet | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | dienstdoen |
| dienstgedaan | voltooid deelwoord | dienstdoen |
| doe dienst | gebiedende wijs | dienstdoen |
| doen dienst | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | dienstdoen |
| doet dienst | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | dienstdoen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van dienstdoen zijn vastgelegd.