deprimeren
werkwoordBetekenis
- somber stemmen
Vervoeging van deprimeren
deprimerenhele werkwoord — deprimeerdeverleden tijd enkelvoud — deprimeerdenverleden tijd meervoud — gedeprimeerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | deprimeer | deprimeerde |
| jij | deprimeert | deprimeerde |
| hij, zij, het | deprimeert | deprimeerde |
| wij | deprimeren | deprimeerden |
| jullie | deprimeren | deprimeerden |
| zij | deprimeren | deprimeerden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben gedeprimeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gedeprimeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| deprimeer | gebiedende wijs |
| deprimeerde | verleden tijd |
| deprimere | aanvoegende wijs |
| deprimerend | onvoltooid, deelwoord |
| er is gedeprimeerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gedeprimeerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gedeprimeerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gedeprimeerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gedeprimeerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gedeprimeerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gedeprimeerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gedeprimeerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gedeprimeerd | verleden tijd, deelwoord |
| gedeprimeerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gedeprimeerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gedeprimeerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gedeprimeerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gedeprimeerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gedeprimeerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gedeprimeerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gedeprimeerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gedeprimeerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gedeprimeerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gedeprimeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gedeprimeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gedeprimeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gedeprimeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gedeprimeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gedeprimeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gedeprimeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gedeprimeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gedeprimeerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gedeprimeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gedeprimeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gedeprimeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gedeprimeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gedeprimeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gedeprimeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gedeprimeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gedeprimeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te deprimeren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gedeprimeerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen deprimeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gedeprimeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gedeprimeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gedeprimeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gedeprimeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gedeprimeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gedeprimeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gedeprimeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gedeprimeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gedeprimeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gedeprimeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gedeprimeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gedeprimeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gedeprimeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gedeprimeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gedeprimeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gedeprimeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gedeprimeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gedeprimeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gedeprimeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gedeprimeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal deprimeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal deprimeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal deprimeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gedeprimeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gedeprimeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gedeprimeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gedeprimeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gedeprimeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gedeprimeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gedeprimeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn gedeprimeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gedeprimeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gedeprimeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gedeprimeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou deprimeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou deprimeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou deprimeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gedeprimeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gedeprimeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gedeprimeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gedeprimeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gedeprimeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gedeprimeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gedeprimeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gedeprimeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gedeprimeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden deprimeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden deprimeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden deprimeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gedeprimeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gedeprimeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gedeprimeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gedeprimeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gedeprimeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gedeprimeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gedeprimeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gedeprimeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gedeprimeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt deprimeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gedeprimeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gedeprimeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gedeprimeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen deprimeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen deprimeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen deprimeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen deprimeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gedeprimeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gedeprimeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gedeprimeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gedeprimeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gedeprimeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gedeprimeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gedeprimeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gedeprimeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gedeprimeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult deprimeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gedeprimeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gedeprimeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gedeprimeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘neerdrukken’ voor het eerst aangetroffen in 1669
Woordfamilie van deprimeren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| deprimeer | gebiedende wijs | deprimeren |
| deprimeerde | verleden tijd | deprimeren |
| deprimeerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | deprimeren |
| deprimeert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | deprimeren |
| deprimere | aanvoegende wijs | deprimeren |
| gedeprimeerd | voltooid deelwoord | deprimeren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van deprimeren zijn vastgelegd.