denigreren
werkwoordBetekenis
- op spottende en laatdunkende wijze bekritiseren
- zwartmaken
Vervoeging van denigreren
denigrerenhele werkwoord — denigreerdeverleden tijd enkelvoud — denigreerdenverleden tijd meervoud — gedenigreerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | denigreer | denigreerde |
| jij | denigreert | denigreerde |
| hij, zij, het | denigreert | denigreerde |
| wij | denigreren | denigreerden |
| jullie | denigreren | denigreerden |
| zij | denigreren | denigreerden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben gedenigreerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gedenigreerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| denigreer | gebiedende wijs |
| denigreerde | verleden tijd |
| denigrere | aanvoegende wijs |
| denigrerend | onvoltooid, deelwoord |
| er is gedenigreerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gedenigreerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gedenigreerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gedenigreerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gedenigreerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gedenigreerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gedenigreerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gedenigreerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gedenigreerd | verleden tijd, deelwoord |
| gedenigreerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gedenigreerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gedenigreerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gedenigreerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gedenigreerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gedenigreerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gedenigreerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gedenigreerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gedenigreerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gedenigreerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gedenigreerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gedenigreerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gedenigreerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gedenigreerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gedenigreerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gedenigreerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gedenigreerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gedenigreerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gedenigreerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gedenigreerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gedenigreerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gedenigreerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gedenigreerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gedenigreerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gedenigreerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gedenigreerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gedenigreerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te denigreren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gedenigreerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen denigreren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gedenigreerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gedenigreerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gedenigreerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gedenigreerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gedenigreerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gedenigreerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gedenigreerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gedenigreerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gedenigreerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gedenigreerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gedenigreerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gedenigreerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gedenigreerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gedenigreerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gedenigreerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gedenigreerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gedenigreerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gedenigreerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gedenigreerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gedenigreerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal denigreren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal denigreren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal denigreren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gedenigreerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gedenigreerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gedenigreerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gedenigreerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gedenigreerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gedenigreerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gedenigreerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn gedenigreerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gedenigreerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gedenigreerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gedenigreerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou denigreren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou denigreren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou denigreren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gedenigreerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gedenigreerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gedenigreerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gedenigreerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gedenigreerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gedenigreerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gedenigreerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gedenigreerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gedenigreerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden denigreren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden denigreren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden denigreren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gedenigreerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gedenigreerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gedenigreerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gedenigreerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gedenigreerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gedenigreerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gedenigreerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gedenigreerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gedenigreerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt denigreren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gedenigreerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gedenigreerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gedenigreerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen denigreren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen denigreren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen denigreren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen denigreren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gedenigreerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gedenigreerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gedenigreerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gedenigreerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gedenigreerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gedenigreerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gedenigreerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gedenigreerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gedenigreerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult denigreren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gedenigreerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gedenigreerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gedenigreerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘minachtend spreken van’ voor het eerst aangetroffen in 1607
Woordfamilie van denigreren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| denigreer | gebiedende wijs | denigreren |
| denigreerde | verleden tijd | denigreren |
| denigreerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | denigreren |
| denigreert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | denigreren |
| denigrere | aanvoegende wijs | denigreren |
| gedenigreerd | voltooid deelwoord | denigreren |
| gedenigreerde | woordvorm | denigreren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van denigreren zijn vastgelegd.