denderen
werkwoordBetekenis
- met dreunend geluid zich voortbewegen of trillen
- (van contacten die van stand veranderen:) meerdere malen trillen alvorens de eindstand te bereiken
werkwoord
- meerdere malen trillen alvorens de eindstand te bereiken absolute
Vervoeging van denderen
denderenhele werkwoord — denderdeverleden tijd enkelvoud — denderdenverleden tijd meervoud — gedenderdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | dender | denderde |
| jij | dendert | denderde |
| hij, zij, het | dendert | denderde |
| wij | denderen | denderden |
| jullie | denderen | denderden |
| zij | denderen | denderden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| dender | gebiedende wijs |
| denderde | verleden tijd |
| dendere | aanvoegende wijs |
| denderend | onvoltooid, deelwoord |
| ev. | gebiedende wijs |
| gedenderd | verleden tijd, deelwoord |
| gedenderd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gedenderd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gedenderd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gedenderd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gedenderd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gedenderd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gedenderd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gedenderd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gedenderd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gedenderd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gedenderd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gedenderd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gedenderd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gedenderd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gedenderd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gedenderd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gedenderd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te denderen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gedenderd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen denderen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal denderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal denderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal denderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gedenderd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gedenderd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gedenderd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou denderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou denderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou denderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gedenderd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gedenderd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gedenderd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden denderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden denderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden denderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gedenderd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gedenderd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gedenderd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt denderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gedenderd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen denderen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen denderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen denderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen denderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gedenderd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gedenderd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gedenderd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult denderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gedenderd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘dreunend schokken’ voor het eerst aangetroffen in 1876
Woordfamilie van denderen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| dender | gebiedende wijs | denderen |
| denderde | verleden tijd | denderen |
| denderden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | denderen |
| dendere | aanvoegende wijs | denderen |
| dendert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | denderen |
| gedenderd | voltooid deelwoord | denderen |
| gedenderde | woordvorm | denderen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van denderen zijn vastgelegd.