crash
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- een ernstig verkeersongeluk
- een ineenstorting van de aandelenmarkt op de beurs
- het onbruikbaar worden van een computer, besturingssysteem of applicatie
- een ineenstorting van een systeem
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| crashes | meervoud |
| crashje | verkleinwoord, enkelvoud |
| crashjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van crashen
- gebiedende wijs van crashen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van crashen
Vervoeging van crash
crashhele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Engels, voor de verdere etymologie zie aldaar. In de betekenis van ‘krach, ongeval’ voor het eerst aangetroffen in 1936
Woordfamilie van crash
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| crashes | meervoud | crash |
| crashje | verkleinwoord | crash |
| crashjes | verkleinwoord meervoud | crash |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van crash zijn vastgelegd.