contrasteren
werkwoordBetekenis
- een tegenstelling vormen
- in tegenstelling brengen
Vervoeging van contrasteren
contrasterenhele werkwoord — contrasteerdeverleden tijd enkelvoud — contrasteerdenverleden tijd meervoud — gecontrasteerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | contrasteer | contrasteerde |
| jij | contrasteert | contrasteerde |
| hij, zij, het | contrasteert | contrasteerde |
| wij | contrasteren | contrasteerden |
| jullie | contrasteren | contrasteerden |
| zij | contrasteren | contrasteerden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| contrasteer | gebiedende wijs |
| contrasteerde | verleden tijd |
| contrastere | aanvoegende wijs |
| contrasterend | onvoltooid, deelwoord |
| ev. | gebiedende wijs |
| gecontrasteerd | verleden tijd, deelwoord |
| gecontrasteerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gecontrasteerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gecontrasteerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gecontrasteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gecontrasteerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gecontrasteerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gecontrasteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gecontrasteerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gecontrasteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gecontrasteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gecontrasteerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gecontrasteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gecontrasteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gecontrasteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gecontrasteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gecontrasteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gecontrasteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te contrasteren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gecontrasteerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen contrasteren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal contrasteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal contrasteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal contrasteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gecontrasteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gecontrasteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gecontrasteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou contrasteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou contrasteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou contrasteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gecontrasteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gecontrasteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gecontrasteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden contrasteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden contrasteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden contrasteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gecontrasteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gecontrasteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gecontrasteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt contrasteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gecontrasteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen contrasteren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen contrasteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen contrasteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen contrasteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gecontrasteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gecontrasteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gecontrasteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult contrasteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gecontrasteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van het Franse contraster (met het voorvoegsel con- en met het achtervoegsel -eren)
Woordfamilie van contrasteren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| contrasteer | gebiedende wijs | contrasteren |
| contrasteerde | verleden tijd | contrasteren |
| contrasteerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | contrasteren |
| contrasteert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | contrasteren |
| contrastere | aanvoegende wijs | contrasteren |
| gecontrasteerd | voltooid deelwoord | contrasteren |
| gecontrasteerde | woordvorm | contrasteren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van contrasteren zijn vastgelegd.