cockpit
zelfstandig naamwoord 'kɔkpɪtBetekenis
- ruimte voor de bestuurder in vliegtuig, boot of raceauto
- stuurcabine, stuurhut
Hoe spreek je cockpit uit?
/ˈkɔkpɪt/
Cockpit bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| k | kat |
| ɔ | bot |
| p | pak |
| ɪ | pit |
| t | tak |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| cockpitje | verkleinwoord, enkelvoud |
| cockpitjes | verkleinwoord, meervoud |
| cockpits | meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘stuurhut in vliegtuig’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1926
Woordfamilie van cockpit
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| cockpitje | verkleinwoord | cockpit |
| cockpitjes | verkleinwoord meervoud | cockpit |
| cockpits | meervoud | cockpit |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van cockpit zijn vastgelegd.