coach
zelfstandig naamwoord, werkwoord /koːtʃ/Betekenis
- iemand die beroepsmatig mensen of dieren begeleidt teneinde hun prestaties te verbeteren
- touringcar
Hoe spreek je coach uit?
/kotʃ/
Coach bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| k | kat |
| o | boot |
| t | tak |
| ʃ | sjaal |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| coaches | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van coachen
- gebiedende wijs van coachen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van coachen
Vervoeging van coach
coachhele werkwoord
Herkomst
Uit het Engels
Woordfamilie van coach
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| coaches | meervoud | coach |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van coach zijn vastgelegd.