cinema
zelfstandig naamwoord ˈsinəˌmaBetekenis
- bioscoop, gebouw waarin mensen in stoelen naar een film projecteren|geprojecteerd op een groot scherm kunnen kijken.
- film, filmkunst, in hoog tempo na elkaar projecteren|geprojecteerde afbeeldingen die de suggestie van beweging reproduceren of creëren.
Hoe spreek je cinema uit?
/ˈsinəˌma/
Cinema bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| i | riet |
| n | nek |
| ə | de |
| m | maan |
| a | maan |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
zelfstandig naamwoord — masculine
- bioscoop, gebouw waarin mensen in stoelen naar een film geprojecteerd op een groot scherm kunnen kijken.
- film, filmkunst, in hoog tempo na elkaar geprojecteerde afbeeldingen die de suggestie van beweging reproduceren of creëren.
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| cinema's | meervoud |
| cinemaatje | verkleinwoord, enkelvoud |
| cinemaatjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘bioscooptheater’ voor het eerst aangetroffen in 1914
Woordfamilie van cinema
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| cinema's | meervoud | cinema |
| cinemaatje | verkleinwoord | cinema |
| cinemaatjes | verkleinwoord meervoud | cinema |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van cinema zijn vastgelegd.