choqueren
werkwoordBetekenis
- een emotionele schok bij iemand veroorzaken
Vervoeging van choqueren
choquerenhele werkwoord — choqueerdeverleden tijd enkelvoud — choqueerdenverleden tijd meervoud — gechoqueerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | choqueer | choqueerde |
| jij | choqueert | choqueerde |
| hij, zij, het | choqueert | choqueerde |
| wij | choqueren | choqueerden |
| jullie | choqueren | choqueerden |
| zij | choqueren | choqueerden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| choqueer | gebiedende wijs |
| choqueerde | verleden tijd |
| choquere | aanvoegende wijs |
| choquerend | onvoltooid, deelwoord |
| er is gechoqueerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gechoqueerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gechoqueerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gechoqueerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gechoqueerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gechoqueerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gechoqueerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gechoqueerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gechoqueerd | verleden tijd, deelwoord |
| gechoqueerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gechoqueerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gechoqueerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gechoqueerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gechoqueerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gechoqueerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gechoqueerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gechoqueerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gechoqueerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gechoqueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gechoqueerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gechoqueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gechoqueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gechoqueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gechoqueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gechoqueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gechoqueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te choqueren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gechoqueerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen choqueren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal choqueren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal choqueren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal choqueren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gechoqueerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gechoqueerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gechoqueerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou choqueren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou choqueren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou choqueren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gechoqueerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gechoqueerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gechoqueerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden choqueren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden choqueren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden choqueren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gechoqueerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gechoqueerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gechoqueerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt choqueren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gechoqueerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen choqueren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen choqueren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen choqueren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen choqueren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gechoqueerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gechoqueerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gechoqueerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult choqueren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gechoqueerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘aanstoot geven’ voor het eerst aangetroffen in 1669
Woordfamilie van choqueren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| choqueer | gebiedende wijs | choqueren |
| choqueerde | verleden tijd | choqueren |
| choqueerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | choqueren |
| choqueert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | choqueren |
| choquere | aanvoegende wijs | choqueren |
| gechoqueerd | voltooid deelwoord | choqueren |
| gechoqueerde | woordvorm | choqueren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van choqueren zijn vastgelegd.