charter
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- (oorkondeleer, diplomatiek) een bezegelde, op perkament geschreven akte
- (zelden) handvest, d.w.z. beperkte grondwet, een stuk met afspraken, gedragsregels en richtlijnen
- verkorting voor charterpartij, d.i. een scheepsvrachtbrief, (lucht)bevrachtingsovereenkomst
- verkorting voor chartervlucht, d.i. een vliegtuig dat speciaal voor deze gelegenheid is gehuurd
- chartervlucht
zelfstandig naamwoord — neuter
- een bezegelde, op perkament geschreven akte
- handvest, d.w.z. beperkte grondwet, een stuk met afspraken, gedragsregels en richtlijnen
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| charters | meervoud |
| chartertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| chartertjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van charteren
- gebiedende wijs van charteren
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van charteren
Vervoeging van charter
charterhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘oorkonde’ voor het eerst aangetroffen in 1260
Woordfamilie van charter
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| charters | meervoud | charter |
| chartertje | verkleinwoord | charter |
| chartertjes | verkleinwoord meervoud | charter |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van charter zijn vastgelegd.