ceder
zelfstandig naamwoord ˈsedərBetekenis
- Cedrus, een boom uit het geslacht van coniferen dat behoort tot de dennenfamilie
- afnemen, verminderen
- opgeven, zich gewonnen geven, zwichten
- afzien (van)
- resulteren, als gevolg hebben
- overdragen, afstaan, geven
Hoe spreek je ceder uit?
/ˈsedər/
Ceder bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| e | veel |
| d | dak |
| ə | de |
| r | rood |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Klinkt hetzelfde als seder.
zelfstandig naamwoord — masculine
- benaming voor bomen uit het geslacht Cedrus dat behoort tot de dennenfamilie
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ceders | meervoud |
| cedertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| cedertjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘naaldboom’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1100
Woordfamilie van ceder
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| ceders | meervoud | ceder |
| cedertje | verkleinwoord | ceder |
| cedertjes | verkleinwoord meervoud | ceder |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ceder zijn vastgelegd.