casus
zelfstandig naamwoord ˈkasʏsBetekenis
- een naamval
- een of meer concrete voorbeelden van iets in de praktijk, vooral gebruikt in wetenschappelijke uitleg en cursussen
- spion, verspieder
Hoe spreek je casus uit?
/ˈkasʏs/
Casus bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| k | kat |
| a | maan |
| s | sok |
| ʏ | put |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| casusje | verkleinwoord, enkelvoud |
| casusjes | verkleinwoord, meervoud |
| casussen | meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘geval’ voor het eerst aangetroffen in 1621
Woordfamilie van casus
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| casusje | verkleinwoord | casus |
| casusjes | verkleinwoord meervoud | casus |
| casussen | meervoud | casus |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van casus zijn vastgelegd.