cast
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- de groep van acteurs die optreden in een film, toneelstuk ect , de rolverdeling
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| castje | verkleinwoord, enkelvoud |
| castjes | verkleinwoord, meervoud |
| casts | meervoud |
Woordvorm
- enkelvoud tegenwoordige tijd van casten
- gebiedende wijs van casten
Vervoeging van cast
casthele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Engels. In de betekenis van ‘bezetting van film of toneelstuk’ voor het eerst aangetroffen in 1958
Woordfamilie van cast
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| castje | verkleinwoord | cast |
| castjes | verkleinwoord meervoud | cast |
| casts | meervoud | cast |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van cast zijn vastgelegd.