canon
zelfstandig naamwoord /'ka.nɔn/Betekenis
- de strengste vorm van een meerstemmige compositie, waarin de stemmen elkaar in de tijd verschoven imiteren
- het geheel van belangrijke personen, teksten, kunstwerken, voorwerpen, verschijnselen en processen voor een bepaalde tijdsperiode en/of gebied
- overeengekomen standaardinhoud, bijvoorbeeld van de Bijbel
- (van een vuurwapen)
- (min of meer vaste lijst van belangrijke onderwerpen, meerstemmig lied)
- glas wijn
Hoe spreek je canon uit?
/ˈkanɔn/
Canon bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| k | kat |
| a | maan |
| n | nek |
| ɔ | bot |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| canons | meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘regel, richtsnoer’ voor het eerst aangetroffen in 1450
Woordfamilie van canon
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| canons | meervoud | canon |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van canon zijn vastgelegd.