campingeigenaar
zelfstandig naamwoordBetekenis
- houder van een kampeerterrein
- campinghouder
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| campingeigenaars | meervoud |
| campingeigenaartje | verkleinwoord, enkelvoud |
| campingeigenaartjes | verkleinwoord, meervoud |
| campingeigenaren | meervoud |
Herkomst
samenstelling van camping en eigenaar
Woordfamilie van campingeigenaar
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| campingeigenaars | meervoud | campingeigenaar |
| campingeigenaartje | verkleinwoord | campingeigenaar |
| campingeigenaartjes | verkleinwoord meervoud | campingeigenaar |
| campingeigenaren | meervoud | campingeigenaar |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van campingeigenaar zijn vastgelegd.