burcht
zelfstandig naamwoord ˈbʏrᵊxtBetekenis
- kasteel, plaats versterkt met een gracht, aarden wal en/of zware stenen muren
- ondergronds dierenverblijf met meerdere ingangen van een das, vos, otter, konijn of bever (- beverburcht, dassenburcht, vossenburcht etc.)
Hoe spreek je burcht uit?
/ˈbʏrəxt/
Burcht bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| ʏ | put |
| r | rood |
| ə | de |
| x | acht |
| t | tak |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- ondergronds dierenverblijf met meerdere ingangen van een das, vos, otter, konijn of bever (-> beverburcht, dassenburcht, vossenburcht etc.)
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| burchten | meervoud |
| burchtje | verkleinwoord, enkelvoud |
| burchtjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘versterkte plaats’ voor het eerst aangetroffen in 709
Woordfamilie van burcht
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| burchten | meervoud | burcht |
| burchtje | verkleinwoord | burcht |
| burchtjes | verkleinwoord meervoud | burcht |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van burcht zijn vastgelegd.