brij
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- halfvloeibaar kooksel, pap
- modder
- onsamenhangende hoeveelheid zonder duidelijke betekenis zie bijv. cijferbrij, letterbrij, woordenbrij
- brug; een weg uit beton of steen over een andere weg.
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| brijen | meervoud |
| brijtje | verkleinwoord, enkelvoud |
| brijtjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van brijen
- gebiedende wijs van brijen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van brijen
Vervoeging van brij
brijhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘pap’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1477
Woordfamilie van brij
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| brijtje | verkleinwoord | brij |
| brijtjes | verkleinwoord meervoud | brij |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van brij zijn vastgelegd.