brandweer
zelfstandig naamwoord 'brɑntwerBetekenis
- instantie die zich bezighoudt met het voorkomen en bestrijden van brand en het redden van mensen of dieren
Hoe spreek je brandweer uit?
/ˈbrɑntwer/
Brandweer bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| r | rood |
| ɑ | bad |
| n | nek |
| t | tak |
| w | quiz |
| e | veel |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- instantie die zich bezighoudt met het voorkomen en bestrijden van branden en het redden van mensen of dieren
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| brandweertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| brandweertjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘dienst voor het blussen’ voor het eerst aangetroffen in 1828
Woordfamilie van brandweer
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| brandweertje | verkleinwoord | brandweer |
| brandweertjes | verkleinwoord meervoud | brandweer |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van brandweer zijn vastgelegd.