box
zelfstandig naamwoord /bɔks/Betekenis
- een doos
- met name een kast met een of meer luidsprekers, een geluidsbox of luidsprekerbox
- een, vaak van hout gemaakt, min of meer vierkant meubelstuk omlijst door spijlen met een leuning erop waarin een baby of peuter veilig aanwezig kan zijn, een babybox
- deel van een grotere stal waarin één paard kan staan
- een berging horend bij één appartement van een appartementencomplex
- een van de drie categorieën van de inkomstenbelasting
- doos
- buxus, buksboom, buks
Hoe spreek je box uit?
/bɔks/
Box bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| ɔ | bot |
| k | kat |
| s | sok |
Klinkt hetzelfde als boks.
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| boxen | meervoud |
| boxje | verkleinwoord, enkelvoud |
| boxjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘afgescheiden ruimte’ voor het eerst aangetroffen in 1857
Woordfamilie van box
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| boxen | meervoud | box |
| boxje | verkleinwoord | box |
| boxjes | verkleinwoord meervoud | box |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van box zijn vastgelegd.