bouwplaat
zelfstandig naamwoord 'bɔuplatBetekenis
- tekening op papier of karton waarmee men 3D objecten kan maken door knippen en plakken
- een plaatvormig materiaal waarmee men kan bouwen
Hoe spreek je bouwplaat uit?
/ˈbɔuplat/
Bouwplaat bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| ɔ | bot |
| u | boek |
| p | pak |
| l | land |
| a | maan |
| t | tak |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| bouwplaatje | verkleinwoord, enkelvoud |
| bouwplaatjes | verkleinwoord, meervoud |
| bouwplaten | meervoud |
Herkomst
samenstelling van bouw en plaat
Woordfamilie van bouwplaat
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| bouwplaatje | verkleinwoord | bouwplaat |
| bouwplaatjes | verkleinwoord meervoud | bouwplaat |
| bouwplaten | meervoud | bouwplaat |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bouwplaat zijn vastgelegd.