bonze
zelfstandig naamwoord, werkwoord ˈbɔnzəBetekenis
- overste van een boeddhistische tempel, ook de priester of monnik
- baas, bobo
Hoe spreek je bonze uit?
/ˈbɔnzə/
Bonze bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| ɔ | bot |
| n | nek |
| z | zon |
| ə | de |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
Woordvorm
- aanvoegende wijs van bonzen
Vervoeging van bonze
bonzehele werkwoord
Herkomst
zn: van Japans 坊主 (bōzu) / 房主 (bō-nushi) **[1] via Frans bonze, in de betekenis van ‘Japanse boeddhistische priester’ aangetroffen vanaf het jaar 1824 **[2] via Duits Bonze, in de betekenis van ‘invloedrijk persoon, partijbons’ aangetroffen vanaf het jaar 1830