bolus
zelfstandig naamwoord /'boʊ.lɵs/, /'boː.lʏs/Betekenis
- bepaald zoet gebak, een soort koffiebroodje, bijvoorbeeld gemberbolus, of Zeeuwse bolus
- drol
- een type vetachtige (aanvankelijk rode) klei (o.m. als medicijn)
- een medicinale dosis die in één keer een patient (mens of dier) toegediend wordt (bijv. via een injectie)
- een medicinale dosis in vorm van een grote pil of capsule die in één keer een dier wordt toegediend
- winst
- worp (bij het dobbelen).
- type klei voor medicinale doeleinden (o.m. als bloedstelpend middel, tegen ontstekingen, allergieën en tumoren).
Hoe spreek je bolus uit?
/ˈboʊlɵs/
Bolus bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| o | boot |
| ʊ | boek |
| l | land |
| ɵ | put |
| s | sok |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| bolusje | verkleinwoord, enkelvoud |
| bolusjes | verkleinwoord, meervoud |
| bolussen | meervoud |
Herkomst
[1] via Jiddisch באָול (bole) van Portugees bolo "zoet gebak"; in de betekenis van ‘gebak’ voor het eerst aangetroffen in 1802 in een lokale Amsterdamse advertentie
Woordfamilie van bolus
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| bolusje | verkleinwoord | bolus |
| bolusjes | verkleinwoord meervoud | bolus |
| bolussen | meervoud | bolus |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bolus zijn vastgelegd.