bolster
zelfstandig naamwoord, werkwoord ˈbɔlstərBetekenis
- ruwe huls van een noot of kastanje
- kaf, nutteloze hulzen van graan of peulvruchten
- een met kaf gevuld kussen
- de bovenste, als turf niet bruikbare laag van hoogveen
- zijdelings tegen de voorsteven geplaatste klos of kardoes waarop de boegspriet rustte
- langwerpig, cilindervormig hoofdkussen
- verstevigen, versterken, veiligstellen
- groot kussen
Hoe spreek je bolster uit?
/ˈbɔlstər/
Bolster bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| ɔ | bot |
| l | land |
| s | sok |
| t | tak |
| ə | de |
| r | rood |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| bolsters | enkelvoud |
| bolstertje | verkleinwoord |
| bolstertjes | verkleinwoord, enkelvoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bolsteren
- gebiedende wijs van bolsteren
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bolsteren
Vervoeging van bolster
bolsterhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘bast van noten e.d.’ voor het eerst aangetroffen in 1477
Woordfamilie van bolster
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| bolsters | enkelvoud | bolster |
| bolstertje | verkleinwoord | bolster |
| bolstertjes | verkleinwoord | bolster |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bolster zijn vastgelegd.