bodem
zelfstandig naamwoord, werkwoord ˈbodəmBetekenis
- een onderkant
- de grond
- een schip
- de onderkant van een water
Hoe spreek je bodem uit?
/ˈbodəm/
Bodem bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| o | boot |
| d | dak |
| ə | de |
| m | maan |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — masculine
- de grond die normaliter de water bedekt is
- het meest fundamentele van iets
- het begin, de basis van waaruit men verder kan werken
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| bodempje | verkleinwoord, enkelvoud |
| bodempjes | verkleinwoord, meervoud |
| bodems | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bodemen
- gebiedende wijs van bodemen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bodemen
Vervoeging van bodem
bodemhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘grond’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1260
Woordfamilie van bodem
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| bodempje | verkleinwoord | bodem |
| bodempjes | verkleinwoord meervoud | bodem |
| bodems | meervoud | bodem |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bodem zijn vastgelegd.