biscuit
zelfstandig naamwoord bɪsˈkwiBetekenis
- een droog en bros gebak gemaakt zonder vet
- een koekje van het biscuitgebak
Hoe spreek je biscuit uit?
/bɪsˈkwi/
Biscuit bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| ɪ | pit |
| s | sok |
| k | kat |
| w | quiz |
| i | riet |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord
- : een droog en bros gebak gemaakt zonder vet neuter
- of : een koekje van het biscuitgebak masculine, neuter
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| [1,2] biscuit | enkelvoud |
| [2] biscuitje | verkleinwoord, enkelvoud |
| [2] biscuitjes | verkleinwoord, meervoud |
| [2] biscuits | meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘droog gebak’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1704
Woordfamilie van biscuit
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| biscuitblikken | meervoud | biscuit |
| biscuitje | woordvorm | biscuit |
| biscuitjes | meervoud | biscuit |
| biscuits | meervoud | biscuit |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van biscuit zijn vastgelegd.