binocle
zelfstandig naamwoordBetekenis
- een knijpbril of binoculaire verrekijker, onder meer gebruikt om toneelvoorstellingen beter te zien
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| binocles | meervoud |
| binocletje | verkleinwoord, enkelvoud |
| binocletjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘dubbele veld- of toneelkijker’ voor het eerst aangetroffen in 1778
Woordfamilie van binocle
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| binocles | meervoud | binocle |
| binocletje | verkleinwoord | binocle |
| binocletjes | verkleinwoord meervoud | binocle |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van binocle zijn vastgelegd.