bik
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- fijngestampte afval van zandsteen, te gebruiken om te schuren; biksteen
- stier
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| bikken | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bikken
- gebiedende wijs van bikken
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bikken
Vervoeging van bik
bikhele werkwoord