bijspijkeren
werkwoordBetekenis
- iets herstellen of opknappen wat niet helemaal voldoende is met name als het gaat om schoolprestaties, bijles krijgen
Vervoeging van bijspijkeren
bijspijkerenhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘goedmaken, het achtergeblevene gelijk brengen’ voor het eerst aangetroffen in 1855
Woordfamilie van bijspijkeren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| bijgespijkerd | woordvorm | bijspijkeren |
| bijgespijkerde | woordvorm | bijspijkeren |
| bijspijker | with-subordinate-clause | bijspijkeren |
| bijspijkerde | with-subordinate-clause | bijspijkeren |
| bijspijkerden | with-subordinate-clause | bijspijkeren |
| bijspijkere | with-subordinate-clause | bijspijkeren |
| bijspijkerend | woordvorm | bijspijkeren |
| bijspijkerende | woordvorm | bijspijkeren |
| bijspijkert | with-subordinate-clause | bijspijkeren |
| spijker bij | woordvorm | bijspijkeren |
| spijkerde bij | woordvorm | bijspijkeren |
| spijkerden bij | woordvorm | bijspijkeren |
| spijkere bij | woordvorm | bijspijkeren |
| spijkeren bij | woordvorm | bijspijkeren |
| spijkert bij | woordvorm | bijspijkeren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bijspijkeren zijn vastgelegd.