bijslaap
zelfstandig naamwoord 'bɛɪslapBetekenis
- iemand waarmee je het bed deelt
- geslachtsgemeenschap
Hoe spreek je bijslaap uit?
/ˈbɛislap/
Bijslaap bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| ɛi | trein |
| s | sok |
| l | land |
| a | maan |
| p | pak |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| bijslaapje | verkleinwoord, enkelvoud |
| bijslaapjes | verkleinwoord, meervoud |
| bijslapen | meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘geslachtsgemeenschap’ voor het eerst aangetroffen in 1656
Woordfamilie van bijslaap
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| bijslaapje | verkleinwoord | bijslaap |
| bijslaapjes | verkleinwoord meervoud | bijslaap |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bijslaap zijn vastgelegd.