Naar de inhoud

bijpassen

bijbetalen, aanvullen, aanzuiveren, bijvoegen

bijpassen

werkwoord

Betekenis

  1. bijbetalen, aanvullen, aanzuiveren, bijvoegen

Vervoeging van bijpassen

bijpassenhele werkwoord — paste bijverleden tijd enkelvoud — pasten bijverleden tijd meervoud — bijgepastvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik pas bij paste bij
jij past bij paste bij
hij, zij, het past bij paste bij
wij passen bij pasten bij
jullie passen bij pasten bij
zij passen bij pasten bij
Alle 82 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
bij te passen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
bij te zullen passen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
bij zal passen bijzin, toekomende tijd
bij zou passen bijzin, voorwaardelijk
bij zouden passen bijzin, voorwaardelijk
bij zoudt passen bijzin, voorwaardelijk
bij zullen passen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
bij zullen passen bijzin, toekomende tijd
bij zult passen bijzin, toekomende tijd
bijgepast verleden tijd, deelwoord
bijgepast te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
bijgepast zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
bijpas bijzin, tegenwoordige tijd
bijpassend onvoltooid, deelwoord
bijpast bijzin, tegenwoordige tijd
bijpaste bijzin, verleden tijd
bijpasten bijzin, verleden tijd
er is bijgepast impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was bijgepast impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd bijgepast impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt bijgepast impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal bijgepast worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal bijgepast zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou bijgepast worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou bijgepast zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had bijgepast voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had bijgepast voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had bijgepast voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden bijgepast voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden bijgepast voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden bijgepast voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt bijgepast voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb bijgepast voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben bijgepast actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben bijgepast voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben bijgepast voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben bijgepast voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt bijgepast voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft bijgepast voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft bijgepast voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
pas bij gebiedende wijs
paste bij verleden tijd
te hebben bijgepast actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen bijpassen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal bijgepast hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal bijgepast hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal bijgepast hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal bijpassen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal bijpassen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal bijpassen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal bijpassen bijzin, toekomende tijd
zou bijgepast hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou bijgepast hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou bijgepast hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou bijpassen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou bijpassen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou bijpassen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou bijpassen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) bijpassen bij zou(dt) passen bijzin, voorwaardelijk
zouden bijgepast hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden bijgepast hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden bijgepast hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden bijpassen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden bijpassen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden bijpassen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden bijpassen bijzin, voorwaardelijk
zoudt bijgepast hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt bijpassen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt bijpassen bijzin, voorwaardelijk
zullen bijgepast hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen bijgepast hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen bijgepast hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen bijpassen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen bijpassen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen bijpassen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen bijpassen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen bijpassen bijzin, toekomende tijd
zult bijgepast hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult bijpassen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult bijpassen bijzin, toekomende tijd
zult/zal bijpassen bij zult/zal passen bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van bij en passen

Woordfamilie van bijpassen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
bijgepast voltooid deelwoord bijpassen
bijgepaste woordvorm bijpassen
bijpas subordinate-clause, tegenwoordige tijd bijpassen
bijpasse with-subordinate-clause bijpassen
bijpast subordinate-clause, tegenwoordige tijd bijpassen
bijpaste subordinate-clause, verleden tijd bijpassen
bijpasten subordinate-clause, verleden tijd bijpassen
pas bij gebiedende wijs bijpassen
passe bij woordvorm bijpassen
passen bij aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon bijpassen
past bij aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon bijpassen
paste bij verleden tijd bijpassen
pasten bij aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon bijpassen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bijpassen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over bijpassen

Wat betekent bijpassen?
Bijpassen is een werkwoord. Het woord betekent: bijbetalen, aanvullen, aanzuiveren, bijvoegen.
Hoe vervoeg je bijpassen?
Je vervoegt bijpassen als volgt: het voltooid deelwoord is bijgepast. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord bijpassen is 18 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. B 3
  2. I 1
  3. J 4
  4. P 3
  5. A 1
  6. S 2
  7. S 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 18 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

bijpassen levert met Wordfeud minimaal 21 en maximaal 87 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. B 4
  2. I 2
  3. J 4
  4. P 4
  5. A 1
  6. S 2
  7. S 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 21 zonder bonus
  11. 87 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (B) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

bijpassen in het kort

bijpassen staat in dit woordenboek als werkwoord. Van bijpassen zijn 53 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort bijpassen bij een woordfamilie van 13 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

bijpassen: bijbetalen, aanvullen, aanzuiveren, bijvoegen
Deel bijpassen — standaardnederlands.nl