bijkomen
werkwoord ˈbɛikomə(n)Betekenis
- het bewustzijn herkrijgen
- er, daar ~: in getal of hoeveelheid toenemen
- rusten na een inspannende bezigheid
Hoe spreek je bijkomen uit?
/ˈbɛikomən/
Bijkomen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| ɛi | trein |
| k | kat |
| o | boot |
| m | maan |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van bijkomen
bijkomenhele werkwoord — kwam bijverleden tijd enkelvoud — kwamen bijverleden tijd meervoud — bijgekomenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | kom bij | kwam bij |
| jij | komt bij | kwaamt bij |
| hij, zij, het | komt bij | kwam bij |
| wij | komen bij | kwamen bij |
| jullie | komen bij | kwamen bij |
| zij | komen bij | kwamen bij |
Alle 76 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben bijgekomen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent bijgekomen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| bij te komen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| bij te zullen komen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| bij zal komen | bijzin, toekomende tijd |
| bij zou komen | bijzin, voorwaardelijk |
| bij zouden komen | bijzin, voorwaardelijk |
| bij zoudt komen | bijzin, voorwaardelijk |
| bij zullen komen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| bij zullen komen | bijzin, toekomende tijd |
| bij zult komen | bijzin, toekomende tijd |
| bijgekomen | verleden tijd, deelwoord |
| bijgekomen te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| bijgekomen zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| bijkom | bijzin, tegenwoordige tijd |
| bijkomend | onvoltooid, deelwoord |
| bijkomt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| bijkwaamt | bijzin, verleden tijd |
| bijkwam | bijzin, verleden tijd |
| bijkwamen | bijzin, verleden tijd |
| ev. | gebiedende wijs |
| is bijgekomen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is bijgekomen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| kom bij | gebiedende wijs |
| kwam bij | verleden tijd |
| te zijn bijgekomen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen bijkomen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart bijgekomen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren bijgekomen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren bijgekomen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren bijgekomen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was bijgekomen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was bijgekomen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was bijgekomen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal bijgekomen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal bijgekomen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal bijgekomen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal bijkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal bijkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal bijkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal bijkomen | bijzin, toekomende tijd |
| zijn bijgekomen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn bijgekomen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn bijgekomen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn bijgekomen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt bijgekomen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou bijgekomen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou bijgekomen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou bijgekomen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou bijkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou bijkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou bijkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou bijkomen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) bijkomen bij zou(dt) komen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden bijgekomen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden bijgekomen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden bijgekomen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden bijkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden bijkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden bijkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden bijkomen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt bijgekomen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt bijkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt bijkomen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen bijgekomen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen bijgekomen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen bijgekomen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen bijkomen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen bijkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen bijkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen bijkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen bijkomen | bijzin, toekomende tijd |
| zult bijgekomen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult bijkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult bijkomen | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal bijkomen bij zult/zal komen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van bij en komen
Woordfamilie van bijkomen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| bijgekomen | voltooid deelwoord | bijkomen |
| bijkom | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | bijkomen |
| bijkome | with-subordinate-clause | bijkomen |
| bijkomt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | bijkomen |
| bijkwam | subordinate-clause, verleden tijd | bijkomen |
| bijkwamen | subordinate-clause, verleden tijd | bijkomen |
| kom bij | gebiedende wijs | bijkomen |
| kome bij | woordvorm | bijkomen |
| komen bij | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | bijkomen |
| komt bij | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | bijkomen |
| kwam bij | verleden tijd | bijkomen |
| kwamen bij | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | bijkomen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bijkomen zijn vastgelegd.