biceps
zelfstandig naamwoord ˈbisɛpsBetekenis
- tweehoofdige spier
- spier in de bovenarm van dit type, die zorgt voor de buiging van de arm bij de elleboog (de biceps brachii)
- één van de buigspieren in het dijbeen van dit type (de biceps femoris)
Hoe spreek je biceps uit?
/ˈbisɛps/
Biceps bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| i | riet |
| s | sok |
| ɛ | bed |
| p | pak |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| bicepsen | meervoud |
| bicepsje | verkleinwoord, enkelvoud |
| bicepsjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘tweehoofdige opperarmspier’ voor het eerst aangetroffen in 1793
Woordfamilie van biceps
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| bicepsen | meervoud | biceps |
| bicepsje | verkleinwoord | biceps |
| bicepsjes | verkleinwoord meervoud | biceps |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van biceps zijn vastgelegd.