bezweren
werkwoordBetekenis
- met een soort toverspreuk onder controle proberen te brengen
- (overdrachtelijk) een dreiging onder controle weten te brengen
- heel sterk beloven
werkwoord
- een dreiging onder controle weten te brengen transitive
Vervoeging van bezweren
bezwerenhele werkwoord — bezwoerverleden tijd enkelvoud — bezwoerenverleden tijd meervoud — bezworenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | bezweer | bezwoer |
| jij | bezweert | bezwoer |
| hij, zij, het | bezweert | bezwoer |
| wij | bezweren | bezwoeren |
| jullie | bezweren | bezwoeren |
| zij | bezweren | bezwoeren |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben bezworen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent bezworen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| bezweer | gebiedende wijs |
| bezwere | aanvoegende wijs |
| bezwerend | onvoltooid, deelwoord |
| bezwoer | verleden tijd |
| bezworen | verleden tijd, deelwoord |
| bezworen te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| bezworen te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| bezworen te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| bezworen te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| bezworen te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| bezworen worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| bezworen zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| bezworen zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| bezworen zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| bezworen zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| er is bezworen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was bezworen | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd bezworen | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt bezworen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal bezworen worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal bezworen zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou bezworen worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou bezworen zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had bezworen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had bezworen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had bezworen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden bezworen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden bezworen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden bezworen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt bezworen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb bezworen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben bezworen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben bezworen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben bezworen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben bezworen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt bezworen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft bezworen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft bezworen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is bezworen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is bezworen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te bezweren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben bezworen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen bezweren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart bezworen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren bezworen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren bezworen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren bezworen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was bezworen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was bezworen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was bezworen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd bezworen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd bezworen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd bezworen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden bezworen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden bezworen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden bezworen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt bezworen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word bezworen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden bezworen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden bezworen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden bezworen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt bezworen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt bezworen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal bezweren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal bezweren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal bezweren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal bezworen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal bezworen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal bezworen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal bezworen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal bezworen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal bezworen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal bezworen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn bezworen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn bezworen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn bezworen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt bezworen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou bezweren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou bezweren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou bezweren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou bezworen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou bezworen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou bezworen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou bezworen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou bezworen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou bezworen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou bezworen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou bezworen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou bezworen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden bezweren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden bezweren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden bezweren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden bezworen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden bezworen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden bezworen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden bezworen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden bezworen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden bezworen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden bezworen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden bezworen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden bezworen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt bezweren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt bezworen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt bezworen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt bezworen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen bezweren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen bezweren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen bezweren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen bezweren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen bezworen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen bezworen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen bezworen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen bezworen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen bezworen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen bezworen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen bezworen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen bezworen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen bezworen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult bezweren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult bezworen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult bezworen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult bezworen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
Afgeleid van zweren met het voorvoegsel be-
Woordfamilie van bezweren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| bezweer | gebiedende wijs | bezweren |
| bezweert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | bezweren |
| bezwere | aanvoegende wijs | bezweren |
| bezwoer | verleden tijd | bezweren |
| bezwoeren | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | bezweren |
| bezworen | voltooid deelwoord | bezweren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bezweren zijn vastgelegd.