bezem
zelfstandig naamwoord, werkwoord ˈbezəmBetekenis
- een huishoudelijk voorwerp om stof en vuil bij elkaar te vegen
- de bezem door iets/erdoor halen: grote schoonmaak houden; (figuurlijk) zorgen dat iets wat niet goed gaat beter en makkelijker gaat
Hoe spreek je bezem uit?
/ˈbezəm/
Bezem bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| e | veel |
| z | zon |
| ə | de |
| m | maan |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — masculine
- voorwerp om stof en vuil bij elkaar te vegen
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| bezempje | verkleinwoord, enkelvoud |
| bezempjes | verkleinwoord, meervoud |
| bezems | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bezemen
- gebiedende wijs van bezemen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bezemen
Vervoeging van bezem
bezemhele werkwoord
Herkomst
van Middelnederlands bessem / beseme, in de betekenis van ‘werktuig om te vegen’ aangetroffen vanaf 1240; stamt af van Germaans *besmon, cognaat met Engels besom en Duits Besen
Woordfamilie van bezem
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| bezempje | verkleinwoord | bezem |
| bezempjes | verkleinwoord meervoud | bezem |
| bezems | meervoud | bezem |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bezem zijn vastgelegd.