beurt
zelfstandig naamwoord, werkwoord /bøːrt/Betekenis
- een gelegenheid of opdracht die bij afwisseling aan één persoon uit meerdere gegeven wordt
- om de beurt: eerst A dan B en dan weer A enzovoorts
Hoe spreek je beurt uit?
/børt/
Beurt bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| ø | deur |
| r | rood |
| t | tak |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- gelegenheid of opdracht die bewust telkens aan een andere persoon uit een groep gegeven wordt
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| beurten | meervoud |
| beurtje | verkleinwoord, enkelvoud |
| beurtjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van beuren
- derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van beuren
- gebiedende wijs meervoud van beuren
Vervoeging van beurt
beurthele werkwoord
Herkomst
van Middelnederlands boorte, in de betekenis van ‘geregelde volgorde’ voor het eerst aangetroffen in 1445
Woordfamilie van beurt
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| beurten | meervoud | beurt |
| beurtje | verkleinwoord | beurt |
| beurtjes | verkleinwoord meervoud | beurt |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van beurt zijn vastgelegd.