beul
zelfstandig naamwoord, werkwoord /bøːl/Betekenis
- traditioneel de uitvoerder van van overheidswege opgelegde lijfstraffen en aangesteld om ter dood veroordeelden te executeren
- wreedaard
- mond
- stem
- monding
- begin
- dolboord
Hoe spreek je beul uit?
/bøl/
Beul bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| ø | deur |
| l | land |
zelfstandig naamwoord — masculine
- traditioneel de uitvoerder van overheidswege opgelegde lijfstraffen en aangesteld om ter dood veroordeelden te executeren
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| beulen | meervoud |
| beultje | verkleinwoord, enkelvoud |
| beultjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van beulen
- gebiedende wijs van beulen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van beulen
Vervoeging van beul
beulhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘scherprechter’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1481.
Woordfamilie van beul
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| beultje | verkleinwoord | beul |
| beultjes | verkleinwoord meervoud | beul |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van beul zijn vastgelegd.