berusten
werkwoordBetekenis
- berusten in: zonder verzet aanvaarden
- berusten bij: langdurig ergens ondergebracht zijn
- berusten op: als basis hebben; gebaseerd zijn op
Vervoeging van berusten
berustenhele werkwoord — berustteverleden tijd enkelvoud — berusttenverleden tijd meervoud — berustvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | berust | berustte |
| jij | berust | berustte |
| hij, zij, het | berust | berustte |
| wij | berusten | berustten |
| jullie | berusten | berustten |
| zij | berusten | berustten |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| berust | gebiedende wijs |
| berust | verleden tijd, deelwoord |
| berust te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| berust zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| beruste | aanvoegende wijs |
| berustend | onvoltooid, deelwoord |
| berustte | verleden tijd |
| er is berust | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was berust | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd berust | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt berust | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal berust worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal berust zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou berust worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou berust zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had berust | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had berust | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had berust | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden berust | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden berust | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden berust | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt berust | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb berust | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben berust | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben berust | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben berust | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben berust | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt berust | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft berust | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft berust | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te berusten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben berust | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen berusten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal berust hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal berust hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal berust hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal berusten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal berusten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal berusten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou berust hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou berust hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou berust hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou berusten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou berusten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou berusten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden berust hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden berust hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden berust hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden berusten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden berusten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden berusten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt berust hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt berusten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen berust hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen berust hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen berust hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen berusten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen berusten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen berusten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen berusten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult berust hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult berusten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van rusten met het voorvoegsel be-
Woordfamilie van berusten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| berust | voltooid deelwoord | berusten |
| beruste | aanvoegende wijs | berusten |
| berustte | verleden tijd | berusten |
| berustten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | berusten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van berusten zijn vastgelegd.