bengel
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- deugniet
zelfstandig naamwoord — masculine
- brutaal iemand, m.n. een kind ironic
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| bengels | meervoud |
| bengeltje | verkleinwoord, enkelvoud |
| bengeltjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bengelen
- gebiedende wijs van bengelen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bengelen
Vervoeging van bengel
bengelhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘deugniet’ voor het eerst aangetroffen in 1635
Woordfamilie van bengel
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| bengels | meervoud | bengel |
| bengeltje | verkleinwoord | bengel |
| bengeltjes | verkleinwoord meervoud | bengel |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bengel zijn vastgelegd.