belenden
werkwoordBetekenis
- (van onroerend goed) liggen naast
werkwoord
- liggen naast
Vervoeging van belenden
belendenhele werkwoord — belenddeverleden tijd enkelvoud — belenddenverleden tijd meervoud — belendvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | belend | belendde |
| jij | belendt | belendde |
| hij, zij, het | belendt | belendde |
| wij | belenden | belendden |
| jullie | belenden | belendden |
| zij | belenden | belendden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| belend | gebiedende wijs |
| belend | verleden tijd, deelwoord |
| belend te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| belend zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| belendde | verleden tijd |
| belende | aanvoegende wijs |
| belendend | onvoltooid, deelwoord |
| ev. | gebiedende wijs |
| had belend | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had belend | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had belend | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden belend | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden belend | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden belend | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt belend | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb belend | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben belend | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben belend | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben belend | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben belend | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt belend | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft belend | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft belend | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te belenden | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben belend | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen belenden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal belend hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal belend hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal belend hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal belenden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal belenden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal belenden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou belend hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou belend hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou belend hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou belenden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou belenden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou belenden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden belend hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden belend hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden belend hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden belenden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden belenden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden belenden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt belend hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt belenden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen belend hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen belend hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen belend hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen belenden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen belenden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen belenden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen belenden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult belend hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult belenden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van lende met het voorvoegsel be- en met het achtervoegsel -en
Woordfamilie van belenden
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| belend | voltooid deelwoord | belenden |
| belendde | verleden tijd | belenden |
| belendden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | belenden |
| belende | aanvoegende wijs | belenden |
| belendt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | belenden |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van belenden zijn vastgelegd.