behelpen
werkwoordBetekenis
- zich ~: een provisorische oplossing bedenken voor een probleem dat men heeft bij gebrek aan middelen
Vervoeging van behelpen
behelpenhele werkwoord — beholpenvoltooid deelwoord
Alle 36 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| behelp me | eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| behelp u/je , behelpt je | gebiedende wijs |
| behelpe zich | aanvoegende wijs |
| behelpen je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| behelpen ons | eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| behelpen zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| behelpt je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| behelpt u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| behelpt u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| behelpt zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| behelpt zich/u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| behelpt zich/u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| behielp | verleden tijd |
| behielp je | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| behielp me | eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| behielp u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| behielp u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| behielp zich | derde persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| behielp zich/u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| behielp zich/u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| behielpen je | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| behielpen ons | eerste persoon, verleden tijd, meervoud |
| behielpen zich | derde persoon, verleden tijd, meervoud |
| beholpen | verleden tijd, deelwoord |
| zal me behelpen | eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal zich behelpen | derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal, zult je behelpen | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zich behelpend | onvoltooid, deelwoord |
| zich beholpen hebben | verleden tijd |
| zullen je behelpen | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen ons behelpen | eerste persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen zich behelpen | derde persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zult u behelpen | tweede persoon |
| zult u behelpen | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zult zich/u behelpen | tweede persoon |
| zult zich/u behelpen | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
Herkomst
Afgeleid van helpen met het voorvoegsel be-.
Woordfamilie van behelpen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| behelp | woordvorm | behelpen |
| behelpe | woordvorm | behelpen |
| behelpend | woordvorm | behelpen |
| behelpende | woordvorm | behelpen |
| behelpt | woordvorm | behelpen |
| behielp | verleden tijd | behelpen |
| behielpen | woordvorm | behelpen |
| behielpt | woordvorm | behelpen |
| beholpen | voltooid deelwoord | behelpen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van behelpen zijn vastgelegd.